Camper huren bij Hollandcamper - de camper op de weg google5dfc39fc46a5b1be.html

       

 

 

 

 HOLLANDCAMPER

camperverhuur

 

 

   

De camper op de weg

De camper op de weg huren en informatie over verkeersdeelname met een camper.

Motorrijtuigenbelasting

Bereken hier de motorrijtuigenbelasting voor uw camper (website belastingdienst)

Een camper kan in aanmerking komen voor het kwarttarief van de motorrijtuigenbelasting. De camper op de weg kost geld.
U betaalt dan het tarief voor drie maanden en de auto zit dan voor een heel jaar in de belasting.
Om voor het kwarttarief in aanmerking te komen moet u contact opnemen met het Centraal bureau Motorrijtuigenbelasting.
U krijgt dan een formulier waarin staat aan welke regels uw camper moet voldoen.
Dat de kampeerauto op het kenteken staat vermeld is niet voldoende.
Wilt u met de camper op de weg, vul dan alle gegevens goed in.Wanneer bij controle blijkt dat u de verklaring ten onrechte heeft getekend kunt u vervolgd worden voor valsheid in geschrifte.


De belangrijkste eisen waaraan een kampeerauto moet voldoen:
Een kampeerauto wordt omschreven als: "een personenauto waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid".
Als uitgangspunt voor de toepassing van het tarief zoals bedoeld in artikel 30 Wet MB'94 geldt dat de achter de stoelen voor de chauffeur en bijrijder gesitueerde en voor het verblijf en overnachting bestemde binnenruimte van de kampeerauto:
 

a. Tenminste een ruimte heeft die een rechthoekig blok kan bevatten van minimaal 170 cm hoogte (stahoogte) over een lengte van tenminste 200 cm en over een breedte van ten minste 90 cm.
b. Is voorzien van:
ten minste twee vaste zitplaatsen, een tafel, slaapaccommodatie voor ten minste twee personen, eventueel met behulp van de zitplaatsen - niet zijn de de bestuurders- of bijrijderzitplaatsen - gecreëerd, vaste en afsluitbare opbergfaciliteiten, een vast keukenblok met een minimale hoogte van 60 cm van het werkblad, voorzien van een (ingebouwde) vaste kookgelegenheid en een vaste, niet volledig uitneembare watervoorziening met een spoelbak, een kraan en een afvoer, het geheel bestemd voor gebruik in de binnenruimte.

De (bevestiging van de) tafel mag zodanig zijn ontworpen dat de tafel eenvoudig kan worden verwijderd.


In afwijking van het onder "a" vermelde, mag indien de binnenruimte met een oorspronkelijk dak geen stahoogte heeft van 170 cm maar minimaal 130 cm, het dak voorzien zijn van een al dan niet uitklapbare permanent aangebrachte gesloten dakconstructie waardoor de stahoogte over een breedte van ten minste 90 cm en een lengte van tenminste 100 cm verhoogd kan worden tot een stahoogte van ten minste 170 cm.

 

Autogordels

Omdat er soms nog vragen en onduidelijkheden zijn met betrekking tot het gebruik van de autogordel in onze campers, lijkt het noodzakelijk het een en ander eens nader uit te leggen. De Nederlandse Wegenverkeerswet en de daaruit voortvloeiende reglementen maken onderscheid in het gebruik en de technische eisen van de autogordel.

De Verkeerswetgeving in Nederland kent een diversiteit aan voertuigen, In een aantal daarvan is het gebruik van de autogordel door de inzittenden is verplicht.Ook met betrekking tot de aanwezigheid van autogordels in bepaalde voertuigen heeft de overheid regels gesteld. Voor ons, eigenaren of gebruikers van de kampeerauto is het van belang onderscheid te maken in de soort van voertuig.

Onze kampeerauto kan behoren tot:

1. Personenauto
Het Voertuigreglement artikel 1.1 at, zegt daarover onder andere het volgende:
Een personenauto is een motorrijtuig op vier of meer wielen, ingericht voor het vervoer van personen, met niet meer dan 8 zitplaatsen, de zitplaats van de bestuurder niet meegerekend,

Of een KAMPEERAUTO. Een voertuig is een personenauto als dat op het kentekenbewijs is aangeduid.

2. Bedrijfsauto
In artikel 1.1.h van dat zelfde Voertuigreglement is omschreven dat de kampeerauto ook kan vallen in de categorie bedrijfsauto’s, mits het voertuig is INGERICHT als kampeerauto.

Ook nu zal de categorie waaronder het voertuig valt, vermeld zijn in het kentekenbewijs.

  1. Kampeerauto

Artikel 1.1.y zegt wat een kampeerauto is, maar dat is voor de autogordels verder niet van belang. In dit artikel gaat het meer over de inrichting van het voertuig. ( en bed, kooktoestel enz. ) Of bevestigingspunten en/of autogordels in een personenauto aanwezig moeten zijn wordt respectievelijk bepaald door artikel 3.2.36 en artikel 5.2.47 van het Voertuigreglement. Voor bedrijfsauto’s zijn dat de artikelen 3.3.36 en 5.3.47. Voor de zelfbouwers of ombouwers onder ons zijn de artikelen 3.2.36. en 3.3.36 van groot belang. Bij ombouw is het dus zaak zoveel mogelijk de bestaande bevestigingpunten te hergebruiken. Personenauto en autogordels: Artikel 5.2.47 geeft in een negental punten aan welke personenauto’s van gordels moeten zijn voorzien, t.w :

  1. personenauto’s die 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, moeten gordels hebben voor alle naar VOREN en naar ACHTEREN gerichte zitplaatsen. Gordels van deze voertuigen moeten van een goedgekeurde soort zijn.
  2. personenauto’s die na 31 december 1989 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar VOREN gerichte zitplaatsen
  3. personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de zitplaats er naast voor zover deze aan een portier grenst.

Op het bovenstaande zijn enkele uitzonderingen van toepassing, zoals b.v. klapstoelen en zitplaatsen die alleen gebruikt worden bij stilstand, evt. ontheffingen zijn vermeld in het kentekenbewijs enz. Autogordels moeten deugdelijk zijn, deugdelijk zijn bevestigd, onbeschadigd en voorzien van een goedwerkende sluiting en blokkering.
Merk op dat het gaat om alle zitplaatsen die naar voren en naar achteren zijn gericht.
Alle andere zitplaatsen worden niet genoemd. Die zitplaatsen hoeven niet te zijn voorzien van autogordels. Als er echter wel gordels zijn gemonteerd dan moeten ze voldoen aan de gestelde eisen en ook worden gebruikt.
Merk ook op dat hetgeen onder c. is vermeld kan gelden voor bepaalde integraal kampeerauto’s die geen rechter voorportier hebben. Meestal zal daar toch wel een gordel zijn gemonteerd, zodat deze ook moet worden gebruikt.

Bedrijfsauto en autogordels.
Zoals gezegd onder 2. vallen sommige kampeerauto’s in de categorie bedrijfsauto.(Zie de vermelding op het kentekenbewijs)
Op deze voertuigen is artikel 5.3.47 van het Voertuigreglement van toepassing waarbij wij ons hier beperken tot die bedrijfsauto’s die zijn ingericht als kampeerauto, immers in de meeste gevallen zullen onze campers niet of nooit beurtelings gebruikt worden voor het vervoer van personen of goederen.

Artikel 5.3.47 lid :

  1. bedrijfsauto’s, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor :
    1. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en
    2. de overige naar voren gerichte zitplaatsen, indien op een afstand van maximaal 1.30 meter voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt.

Merk op dat hier geen sprake is van naar achteren gerichte zitplaatsen. Zijn op die plaatsen evenwel toch gordels aanwezig, dan moeten ze wel worden gebruikt. Wanneer moeten gordels worden gebruikt en wie moeten ze gebruiken?
 
Artikel 59 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens zegt daarover het volgende:

  1. Bestuurders van een motorvoertuig en de naast hen gezeten passagiers moeten gebruik maken van de voor hen beschikbare autogordel.
  2. Is er geen gordel beschikbaar dan mag die passagier toch vervoerd worden.
  3. Naast de bestuurder gezeten passagiers, jonger dan 12 jaren, die korter zijn dan 1.50 meter moeten gebruik maken van een kinderbeveiligingsmiddel dat is voorzien van een goedkeuringsmerk.
  4. Het is bestuurders verboden passagiers jonger dan 12 jaren te vervoeren op een andere wijze dan in dit artikel voorgeschreven.
  5. Kinderen t/m 11 jaar mogen slechts voorin worden vervoerd als het kind zit in een voor haar/hem bestemd en geschikt kinderbeveiligingsmiddel.
  6. Is het kind langer dan 1.50 meter dan mag het wel voorin, maar dan wel met gebruik van de gordel.
  7. Achterin moeten kinderen van 3 jaar en ouder, vervoerd worden in een voor hen geschikt kinderbeveiligingsmiddel, mits dat aanwezig is.
  8. Ontbreekt een kinderzitje, dan moeten die kinderen gebruik maken van de aanwezige heup- of driepuntsgordel, waarbij de laatste als heupgordel mag worden ingesteld.
  9. Voor kinderen t/m 2 jaar die achterin worden vervoerd is NIETS geregeld. Hiervoor geldt de verantwoordelijkheid van de bestuurder.
  10. Zijn er achterin geen autogordels gemonteerd, of zijn er minder dan het aantal passagiers dat wordt vervoerd dan kunnen degenen waarvoor geen gordel aanwezig is daarop niet worden aangesproken.

Het komt er dus op neer dat op elke zitplaats in onze kampeerauto personen mogen worden vervoerd. Slechts op die zitplaatsen waar een gordel aanwezig is, moet deze worden gebruikt.
Het is evenwel verstandig ook andere zitplaatsen van een gordel te voorzien, maar dat moet dan wel op de juiste wijze geschieden.

Er gelden immers keuringseisen.
Betreffende de bevestigingspunten van autogordels gelden de richtlijnen 76/115/EEG.
De EEG eisen zijn te vinden op Internet of bij de www.rdw.nl